beteren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology 1[edit]

From beter + -en.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

beteren ‎(past singular beterde, past participle gebeterd)

  1. to improve
Conjugation[edit]
Inflection of beteren (weak)
infinitive beteren
past singular beterde
past participle gebeterd
infinitive beteren
gerund beteren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beter beterde
2nd person sing. (jij) betert beterde
2nd person sing. (u) betert beterde
2nd person sing. (gij) betert beterde
3rd person singular betert beterde
plural beteren beterden
subjunctive sing.1 betere beterde
subjunctive plur.1 beteren beterden
imperative sing. beter
imperative plur.1 betert
participles beterend gebeterd
1) Archaic.
Synonyms[edit]

Etymology 2[edit]

From be- + teren.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

beteren ‎(past singular beteerde, past participle beteerd)

  1. to tar
Conjugation[edit]
Inflection of beteren (weak, prefixed)
infinitive beteren
past singular beteerde
past participle beteerd
infinitive beteren
gerund beteren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beteer beteerde
2nd person sing. (jij) beteert beteerde
2nd person sing. (u) beteert beteerde
2nd person sing. (gij) beteert beteerde
3rd person singular beteert beteerde
plural beteren beteerden
subjunctive sing.1 betere beteerde
subjunctive plur.1 beteren beteerden
imperative sing. beteer
imperative plur.1 beteert
participles beterend beteerd
1) Archaic.