helen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search
See also: Helen and Helén

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From Old Dutch *heilen, *hēlen, from Proto-Germanic *hailijaną. Compare Low German helen, German heilen, English heal, West Frisian hielje, Danish hele, Swedish hela.

Verb[edit]

helen ‎(past singular heelde, past participle geheeld)

  1. To heal.
    De tijd die alle wonden heelt.
    The time that heals all wounds. (Marco Borsato – Wereld Zonder Jou)
Conjugation[edit]
Inflection of helen (weak)
infinitive helen
past singular heelde
past participle geheeld
infinitive helen
gerund helen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular heel heelde
2nd person sing. (jij) heelt heelde
2nd person sing. (u) heelt heelde
2nd person sing. (gij) heelt heelde
3rd person singular heelt heelde
plural helen heelden
subjunctive sing.1 hele heelde
subjunctive plur.1 helen heelden
imperative sing. heel
imperative plur.1 heelt
participles helend geheeld
1) Archaic.
Derived terms[edit]

Etymology 2[edit]

From Old Dutch *helan ‎(hide, conceal), from Proto-Germanic *helaną. The modern sense is probably borrowed from early modern German hehlen.

Verb[edit]

helen ‎(past singular heelde, past participle geheeld)

  1. To accept (and sell) stolen goods.
    Je hebt die spullen geheeld en dat is strafbaar.
    You have accepted those stolen things and that is illegal.
Conjugation[edit]
Inflection of helen (weak)
infinitive helen
past singular heelde
past participle geheeld
infinitive helen
gerund helen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular heel heelde
2nd person sing. (jij) heelt heelde
2nd person sing. (u) heelt heelde
2nd person sing. (gij) heelt heelde
3rd person singular heelt heelde
plural helen heelden
subjunctive sing.1 hele heelde
subjunctive plur.1 helen heelden
imperative sing. heel
imperative plur.1 heelt
participles helend geheeld
1) Archaic.