beschuldigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

be- +‎ schuldig +‎ -en

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

beschuldigen ‎(past singular beschuldigde, past participle beschuldigd)

  1. to accuse, blame

Conjugation[edit]

Inflection of beschuldigen (weak, prefixed)
infinitive beschuldigen
past singular beschuldigde
past participle beschuldigd
infinitive beschuldigen
gerund beschuldigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beschuldig beschuldigde
2nd person sing. (jij) beschuldigt beschuldigde
2nd person sing. (u) beschuldigt beschuldigde
2nd person sing. (gij) beschuldigt beschuldigde
3rd person singular beschuldigt beschuldigde
plural beschuldigen beschuldigden
subjunctive sing.1 beschuldige beschuldigde
subjunctive plur.1 beschuldigen beschuldigden
imperative sing. beschuldig
imperative plur.1 beschuldigt
participles beschuldigend beschuldigd
1) Archaic.

German[edit]

Etymology[edit]

be- +‎ schuldig +‎ -en

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

beschuldigen ‎(third-person singular simple present beschuldigt, past tense beschuldigte, past participle beschuldigt, auxiliary haben)

  1. to accuse, to blame

Conjugation[edit]

Derived terms[edit]

Related terms[edit]

External links[edit]