hazel

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search
See also: Hazel

English[edit]

English Wikipedia has an article on:
Wikipedia

Etymology[edit]

From Middle English hasel, from Old English hæsl (hazel, shrub), from Proto-Germanic *hasalaz (hazel), from Proto-Indo-European *koselos (hazel). Cognate with Dutch hazelaar (hazel), German Hasel (hazel), Swedish hassel (hazel), Latin corulus, corylus (hazel-tree, hazelwood), Irish coll (hazel).

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈheɪzəl/
  • (file)
  • Rhymes: -eɪzəl

Noun[edit]

hazel (usually uncountable, plural hazels)

  1. (countable) A tree or shrub of the genus Corylus, bearing edible nuts called hazelnuts or filberts.
  2. (countable) The nut of the hazel tree.
  3. (uncountable) The wood of a hazelnut tree.
  4. (countable and uncountable) A greenish-brown colour, the colour of a ripe hazelnut.
    hazel colour:  
  5. (mining, countable) freestone
    (Can we find and add a quotation of Raymond to this entry?)

Quotations[edit]

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]

Translations[edit]

Adjective[edit]

hazel

  1. Of a greenish-brown colour. (often used to refer to eye colour)

Translations[edit]

See also[edit]

Anagrams[edit]


Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch hasel. This etymology is incomplete. You can help Wiktionary by elaborating on the origins of this term.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈɦaː.zəl/
  • (file)
  • Hyphenation: ha‧zel

Noun[edit]

hazel m (plural hazels)

  1. (rare, dated, literary) hazel
    • 1822, Jacob Geel, Proeven eener navolging van de Lady of the Lake van Walter Scott, vol. 1, in Magazijn voor Wetenschappen, Kunsten en Letteren, vol. 2, page 11.
      Het hert dronk ’s avonds aan de kreek, / Waar ’t maanlicht ſpeelt in Monans beek: / En vleit zich, tot de morgen keer’, / In diepen ſchaâuw van hazels nêer;
      (please add an English translation of this quote)
    • 1894, De Sociale gids. Socialistisch tijdschrift voor Noord- en Zuid-Nederland, page 322.
      —Mijn oom, de tuinman, zegt, dat 't juist niet zacht opvolgend van kleur moet zijn, maar scherp tegenovergesteld aan elkander en daarom zwarte hazels nevens witte acers, om den ander . . . . dat noemt hij »gemengde« stijl.
      (please add an English translation of this quote)
    • 1924 August 27, Kees van Bruggen, "Het bad aan de Blauwe Zee. Clytemnestra, Klein Duimpje en de laatsten der Azteken", Algemeen Handelsblad (evening edition, part 2), vol. 97, no. 31420, page 5.
      Tusschen elzen en hazels in allerlei fatsoen slingeren zich de druiven, reeds zwaar om te oogsten, het wachten is op een beetje aanhoudende zon, anders wordt de wijn te schraal.
      (please add an English translation of this quote)
    • 1925 February 22, Reinder Jakobus de Stoppelaar, "De Hazelaar", Het Vaderland (morning edition), B, page 1.
      Als mijn hazels bloeien bereid ik mij zelven het genoegen van de struiken te schudden tot het gouden stof op en wegdwarrelt en neervalt met gele stippeling op mijn jas, mijn pet, mijn handen.
      (please add an English translation of this quote)
    Synonym: hazelaar

Derived terms[edit]


Extremaduran[edit]

Alternative forms[edit]

Etymology[edit]

From Latin facere, active infinitive of the verb faciō (I do, I make). Cognate with Italian fare, French faire, Spanish hacer, Asturian facer, facere, Fala fel and Portuguese fazer

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

hazel

  1. to do, to make

Quotations[edit]

"Esta sala de tanta estoria molinera es gastá ogañu pa hazel ritus paganus, pos se vein un pentagrama canteau pabaxu conas letras ebreas enas cincu puntas pintau ena paré i ala isquierda un oju de Oru." Cúyu pan esgarras? - "El molinu las Pilas dela Conquista la Sierra"