schenken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search
See also: Schenken

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch schenken, from Old Dutch skenken, from Proto-Germanic *skankijaną.

Cognate with English shink (to pour), dialectal English skink (to pour, give as a present).

Verb[edit]

schenken

  1. to give as a present, to gift
    • Andreas Nicolai de Saint-Aubain, tr. A.F. Wehlburg, Tafereelen uit den tijd van Christiaan II, koning van Denemarken, Volume 1 (Amsterdam 1849), p. 82-83:
      Hij zag den reus en kocht hem van zijnen pleegvader [...] want reuzen en dwergen waren in dien tijd zeer gezocht door de voorname heren, en er was niets bijzonders in zijn doen en laten, dat de waardigheid van eenen reus konde benadelen. Aslak [de reus] vond ook spoedig eenen kooper, doch deze verveelde hij zeer spoedig, omdat hij trotsch en zwaarmoedig was, en niet in staat de taal van het land te leeren. Nu schonk zijn heer hem weg aan den Deenschen edelman, heer Hans Bilde, die juist op de terugreis naar Denemarken was.
      He saw the giant and bought him from his foster father [...] because giants and dwarfs were in that time much in demand among distinguished gentlemen, and there was nothing special in his habits, that could harm the dignity of a giant. Aslak [the giant] also soon found a buyer, but he very quickly bored him, because he was proud and melancholy, and not able to learn the language of the land. Now his lord gifted him away to the Danish nobleman, sir Hans Bilde, who was just on his way home to Denmark.
  2. to pour
    • ‎Gerdina Hendrika Kurtz, Het Haarlemsche stadsrecht van 1245 (Haarlem 1945), p. 20:
      Als iemand een herberg binnengaat, om daar te drinken, dien moet de wijntapper den wijn schenken volgens zekere verschuldigde maat,
      If someone enters an inn, in order to drink there, the wine-server must pour him the wine in accordance to a certain obligatory measure ...

Inflection[edit]

Inflection of schenken (strong class 3)
infinitive schenken
past singular schonk
past participle geschonken
infinitive schenken
gerund schenken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular schenk schonk
2nd person sing. (jij) schenkt schonk
2nd person sing. (u) schenkt schonk
2nd person sing. (gij) schenkt schonkt
3rd person singular schenkt schonk
plural schenken schonken
subjunctive sing.1 schenke schonke
subjunctive plur.1 schenken schonken
imperative sing. schenk
imperative plur.1 schenkt
participles schenkend geschonken
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Related terms[edit]


German[edit]

Etymology[edit]

From Old High German scenken, from Proto-Germanic *skankijaną.

Pronunciation[edit]

  • (file)
  • (file)
  • IPA(key): /ˈʃɛŋkən/, [ˈʃɛŋkŋ]
  • Hyphenation: schen‧ken

Verb[edit]

schenken (third-person singular simple present schenkt, past tense schenkte, past participle geschenkt, auxiliary haben)

  1. to give
  2. to give as a present, to gift

Conjugation[edit]

Note: This verb once was also a strong verb with indicative imperfect schank and conjunctive imperfect schänke.

Derived terms[edit]

Related terms[edit]

External links[edit]